thstorie4

Startspot.nl

Als startpagina - Bij je favorieten - Eigen startpagina

Dating

» Meer dating!

Aanmelden

Bekijk of de naam nog vrij is en registreer de naam:

.startspot.nl

Overzicht

hey

jo, ik ben astrid en ben 14. dit is al mijn vierde fanfiction over tokio hotel. nja, ik weet niet wat ik nog kan zeggen xD - de namen komen van Kirsten (netlog link staat hier onder) - en daaronder staan mijn andere verhalen. Xx

inleiding

het verhaal gaat over een meisje die zelfmoord heeft gepleegd. althans dat zeggen ze. en dat gelooft iedereen, tot dat Bill een dagboek vindt in zijn brievenbus. het dagboek van Demi, het meisje dat zelfmoord heeft gepleegd. hij is er zo van in de ban, dat hij meer wil weten over haar en op zoektocht gaat naar de mogelijke moordenaar.

proloog

I'm tired of being what you want me to be
Feeling so faithless lost under the surface
Don't know what you're expecting of me
Put under the pressure of walking in your shoes
(Caught in the undertone just caught in the undertow)
Every step I take is another
mistake to you
(Caught in the undertow just caught in the undertow)


De regen valt op mijn betraande gezicht. Ik kan niet meer.
de drie jaar lang ingehouden tranen stromen als kleine watervallen uit mijn ooghoeken.
Sla links af. Blindelings volg ik mijn voeten naar mijn vertrouwde plek.
Achter mij loopt iemand mee. Ik begin harder te lopen.
Niet om de regen te ontwijken. Niet omdat ik het kou heb.
Steek de straat over. De kou voel ik al lang niet meer. al drie jaar voel ik niets meer behalve de vuisten.
De vuisten voel ik overal op mijn lichaam.
Ik loop langs het kleine parkje, mijn vertrouwde plek. ‘Het is vervallen’ zouden de andere zeggen.
Ze zouden niet eens de moeite doen om de schoonheid ervan in te zien. De jaren dat dit park in glorie heeft meegemaakt.
Al de jaren dat hier verliefde koppeltjes kwamen. Ouders met hun kinderen om kastanjes te rapen.
Kastanjes van de grote boom. De boom die al de jaren dezelfde is gebleven. Die niet is veranderd omdat anderen hem lelijk vonden.
Niet is veranderd omdat er hun naam in krasten met een hartje ertussen om dan een tijd later er tegen in huilen uit te barsten.
Nee, hij is niet veranderd, maar de omgeving wel. Nu zitten er geen verliefde koppeltjes meer tegen lieve woordjes tegen elkaar te zeggen die na een tijdje toch verloren gaan in tranen. Nu zit er een meisje tegen die elke dag moeite doet om haar tranen in te houden. Die bestudeert hoeveel schrammen of blauwe plekken ze nu weer bij heeft. De enige die nu nog naar het park komt, ben ik.

I've become so numb I can't feel you there
I've become so tired so much more aware
I've becoming this all I want to do
Is be more like me and be less like you


Maar niet vandaag, nee niet vandaag. Het is niet Zoals elke dag.
Elke dag loop ik na school naar het park om tegen de boom te zitten. Te zitten denken over wat ze nu weer hebben geroepen naar mij. Meestal was het iets van ‘vuile slet’ of ‘trut ga maar een beetje huilen bij die homo’. Maar vandaag niet. Vandaag kan ik niet naar het parkje gaan, iemand kent daar te goed zijn weg.
Niet vandaag, vandaag is anders. Deze keer hebben ze me op mijn gevoeligste plek getroffen. Alsof ze het wisten, dat ze het juist vandaag moesten roepen. Juist vandaag, niet morgen niet gisteren, maar op de dag dat dit allemaal begon. Een dag die ik voor eeuwig uit mijn geheugen had verbannen.
De dag dat mijn ouders omkwamen in een auto-ongeluk. De dag dat ik niemand meer had. Mijn grootouders moesten mij niet hebben. ‘ te lelijk’ vonden ze. Anders heb ik geen familie.
De dag dat ik naar het weeshuis moest. Vandaag, precies drie jaar geleden dat ik naar het weeshuis moest!
De dag dat iedereen me begon te negeren, omdat ik anders was.
En daar kwam nog eens het feit bij dat ik fan was van tokio hotel. Ik denk zowat de meest gehate groep en de regio dat ik woon. Woonde. Verleden tijd. Mijn leven is verleden tijd. Niets gebeurt in de toekomst. Alles was elke dag hetzelfde.
Tot vandaag. Vandaag liet ik mijn eerste tranen vallen uit mijn nietszeggende, lege ogen. De eerste traan heeft door mijn ijskoude schutting geraakt. De eerste. Sinds die dag.

Can't you see that you're smothering me
Holding too tightly afraid to lose control
Cause everything that you thought I would be
Has fallen apart right in front of you
(Caught in the undertone just caught in the undertow)
Every step that I take is another mistake to you
(Caught in the undertow just caught in the undertow)
And every second I waste is more than I can take


Verdomme, waarom moest ie dat juist zeggen? Alle andere opmerkingen kunnen mij geen barst schelen. De slagen die ze mij geven na school heb ik verdient! Het is door mijn schuld dat mijn ouders dood zijn! Maar die opmerking! Die opmerking had hij echt niet mogen zeggen!
Hij had het niet over zijn lippen mogen krijgen om met zoveel ironie te zeggen dat ik het maar moest gaan uithuilen bij mijn mama.
‘oh, nee het is juist. Je mama is al van je gaan weglopen. Geen wonder hoor, zou ik ook hebben gedaan. Wie wil er nu wel bij jou blijven? Een rat?’ mijn mama is niet van mij gaan weglopen! Hij weet niet eens hoe het echt is gegaan!

I've become so numb I can't feel you there
I've become so tired so much more aware
I've becoming this all I want to do
Is be more like me and be less like you


Maar daarvoor loop ik niet, nee niet daarvoor. Iemand achtervolgt me.
Probeert me in te halen. Iemand haat me nog meer dan zij die me slaan. Iemand wil écht van me af.
Ik loop voorbij de poort van het parkje. Normaal loop ik door de poort, maar vandaag niet. Vandaag leiden mijn voeten me naar iets anders.Het onbekende. Het niets.
Ik loop de stad in, voorbij grote gebouwen. Gebouwen die zo groot zijn, dat ze niets betekenen. Zo groot, dat mensen zo overzien. Ze negeren.
En ik, zo klein en nietszeggend, dat iedereen me na staart. Zo klein, dat iedereen over mij praat.
Ik loop door. Hoor nog steeds voetstappen achter me. Ze zijn te dichtbij. Ze halen me in.

And I know
I may end up failing too
But I know
You were just like me with someone disappointed in you


Mijn, ondertussen bevroren, voeten leiden me in een gebouw.
Niemand reageert.
Kijk dan nog. Laat me stoppen. Zeg dat ik niet binnen mag.
Maar nee, ze overzien me. Omdat ik zo klein ben. Ik hoor de voetstappen achter me en een scherpe punt in mijn Rug. Een mes? Is het dat, dat ik voel? Ik voel niets meer. ik ben verdoofd.
Diep vanbinnen ben ik gevoelloos geworden.

I've become so numb I can't feel you there
I've become so tired so much more aware
I've becoming this all I want to do
Is be more like me and be less like you


Tot vandaag. Vandaag voel ik het wel. Door die ene opmerking voel Ik het mes door mijn dunne T-shirt gaan en een snee maken in mijn Uitgemergelde rug.
De trap stopt. Ben ik dood? Is dit de hemel? Nee ik ben Er nog niet. Nog één kleine stap. Nog één betekenloze stap die toch zoveel betekent.
Wil ik die stap zetten? Nee nog niet. Nu nog niet.
Ik stop met lopen.
Het mes verdwijnt uit mijn rug. Pas nu voel ik het bloed lopen over mijn vel.
‘dit is het einde.’ Zei de stem en haf me een duw.

I've become so numb I can't feel you there
Is everything what you want me to be
I've become so numb I can't feel you there
Is everything what you want me to be


Ik voel de wind mijn haar doen vliegen. En vliegen doe ik. maar ik wil niet!
Laat de kriebels in mijn buik stoppen. Laat me ontwaken van deze nachtmerrie!
Ik vlieg door mijn herinneringen. Naar het einde. Ik zie het naderen.
Mensen kijken omhoog. Ik kijk omlaag, naar wat komt. En het komt zwart…

2. dag 1 Billpov

‘Tom, hou je mond en eet!’ roep ik naar mijn broer die nu probeert mij te laten veranderen van gedacht door een pruillip te trekken.
‘ maar ik lust geen ei met spek een kaas en champignons’ zegt hij ter verdediging.
‘Een omelet, noemt men dat ook nog wel. Eet!’ zeg ik plichtbewust. ‘ zolang mama er niet is, heb ik hier de leiding. Dat heeft ze zelf gezegt. En dat was een verstandige keuze!’
‘ maar hij is helemaal zwart!’
‘ dat kan mij niet’ mijn zin wordt onderbroken door een plof bij de voordeur.
Als ik ga gaan kijken zie ik dat het een boekje is die via de brievenbus naar binnen is geraakt. Ik doe de deur open, maar er is niemand meer te bespeuren. Pff, zeker weer een fan die probeert aandacht te trekken.
Ik ben op weg naar de vuilbak, als ik merk dat er een post-it op gekleefd is.
begin te lezen vanaf 1 december 2005.’ Staat er met slordige letters op geschreven. Ik begin toch wel nieuwsgierig te komen. Ik zal het nog even houden en dan misschien morgen ofso weggooien.
Als ik weer naar de keuken ga, zie ik Tom met een big smile zitten achter een tafel met een leeg bord erop. Oh, nog zoveel te leren in zo weinig tijd.
‘ het valt niet op hoor, Tom’ zeg ik tegen hem.
‘ Wat valt er niet op? He, wat heb je daar in je hand? Mag ik het zien, mag ik het zien?’ vraagt hij op een kinderachtig toontje.
‘ het valt vooral niet op dat je, je omelet hebt weggegooid. En dit kwam net binnenvliegen. Ik denk dat het een dagboek is.’
‘ zeker weer van een fan! Het is niet de eerste, hé. Ik heb er al zo’n stuk of zeven mogen weggooien.’
‘ maar kijk wat er opstaat: ‘ begin te lezen vanaf 1 december’ wat zou er dan gebeurt zijn?’
‘ misschien heeft ze dan haar verstand verloren ofso. Het zal wel oninteressant zijn. Moet ik het in de vuilnisemmer werpen?’ vraagt hij.
‘ nee, het is goed ik zal het wel doen. Maar eerst ga ik lezen wat er die dag gebeurd is.’
‘ ah jongen. Veel leesplezier. Ik ga wat playstationen.’

1 december 2005

Zo voel ik me. Als drie betekenloze punten op een blad.
Ah heeft dit leven nog zin? Heeft het eigenlijk nog zin?!
Nooit had ik durven dromen dat dit ging gebeuren. Maar vandaag is het gebeurd.
Mama en papa zijn dood.
DOOR MIJN SCHULD! Het is allemaal mijn fout! Als ik niet mee geweest ging zijn, dan was dit allemaal niet gebeurd. Dan waren ze er nog!
Dan zat ik hier niet bij oma, te wachten tot er een plekje vrijkomt in een weeshuis! Nee, ze willen me niet eens! Ik ben niet goed genoeg voor hun!
Ik, de dochter van hun dochter , ben niet goed genoeg voor hun! Heb je dat nu al ooit geweten?! En dat allemaal door…
We zitten in de auto. Mama aan het stuur, papa naast haar en ik op de achterbank.
We rijden op de autostrade. Op weg naar huis.
We kwamen van een feest. Een feest van papa’s werk.
Het was saai geweest. Er was niemand van mijn leeftijd. Niet dat, als er iemand ging geweest zijn, naar me gingen kijken. Laat staan dat ze een woord gingen zeggen tegen ik.
het is druk op de baan. Het is vijf uur en donderdag. Het is het spitsuur. Iedereen komt van zijn werk.
Ik vind iets op de achterbank. Ik weet niet wat het is. het lijkt wel een soort kaartje dat mensen van bedrijven hebben met hun naam enzo erop. Nog voor ik kan lezen van wie het is heeft mama het al opgemerkt.
‘wat heb je daar?’ vraagt ze.
‘ ik weet niet. Een soort naamkaartje, maar ik kan niet lezen van wie. Het is uitgelopen in de regen. O, wacht er staat iets opgeschreven.’
‘nee, niet lezen!’ roept ze en draait zich om, om het af te pakken. Ze had niet gezien dat er een vrachtwagen van richting veranderde.

Het is allemaal mijn schuld dat ze er niet meer zijn! Als ik maar niet zo nieuwsgierig was geweest…
Weet je wat het ergste is? wat er geschreven stond op het kaartje?
‘ ik hou van je schat. Liefs Koen xx’
Mijn papa noemt niet Koen. Nee, zo noemt hij niet. Mama had hem bedrogen. En daarvoor heeft ze het leven gelaten. Voor een dom kaartje! Het is nu 1 uur ’s morgens. Ik zou beter proberen een beetje te slapen.
Morgen gaan we langs de weeshuizen.
Maar ik kan niet slapen. Er blijven voortdurend tranen stromen uit mijn ogen.
Alsof ik helemaal leeg vloei tot er niets meer van mij overblijft.
Tot alleen maar mooie herinneringen overblijven in een leeg lichaam.


Ik ben er stil van geworden. Ik zou het niet overleven als ik mijn ouders zou verliezen!
Maar het is niet haar schuld.
Nu dat ik ben begonnen met lezen, kan ik niet meer stoppen. Ik moet meer weten over haar!
Maar waarom krijg ik dit dagboek?
Waarom niet iemand die ze kent?
Ik weet helemaal niets over haar. Waarom?
Misschien kom ik meer te weten als ik verder lees.
Ja dat zal ik doen. Ik heb toch niets te doen.

deel 3 dag 2

Nog heel de dag heb ik doorgelezen tot in de vroege uurtjes. Het Meisje was fan van ons. Ze werd gepest, omdat ze fan was. Ze werd geslagen. Geslagen omdat ze truien droeg met mijn hoofd erop. Door mij werd ze geslagen. Haar dagboek stopt op 30 november 2008. Bijna drie jaar na de dood van haar ouders. Waarom juist dan?
Ze werd achtervolgd op het einde van haar dagboek. Ze kreeg dreigbriefjes. Ze werd gebeld. Allemaal door dezelfde persoon van wie ze niet weet wie het is. zou ze zelfmoord hebben gepleegd? Werd ze vermoord? Had ze geen zin meer op verder te schrijven in haar dagboek? Had iemand hem gepakt en in mijn brievenbus gegooid?
Ik weet het niet. Het enige wat ik weet is dat ze Demi noemt, in een weeshuis woont, geen ouders meer heeft, haar oma haar niet moet hebben en dat ze elke dag ik een vervallen parkje zit te denken. Dat ze pijn heeft, maar het niet toont. Dat ze binnen in gevoelloos is geworden.
Zou ik iets vinden over haar in de krant? Op internet? Een artikel op één december over een zelfmoord, moord?Ik kan het altijd proberen.
Ik ga op internet en zoek ‘ zelfmoord’ op in Google. Meer dan een miljoen berichten.
Nee, dat gaat niet gaan. Dan maar via de site van de krant. Bij zoeken typ ik ‘zelfmoord’ in en krijg de artikels van de laatste week.
ZEVENJARIGE PLEEGT ZELFMOORD’, nee dat is het niet. Deze ook niet… nee… nee… ik stop met ademen als ik deze kop lees:
‘ DEMI, 17 SPRINGT VAN GEBOUW’ dus toch. Ze heeft zelfmoord gepleegd. Djeeses, hoe komt een zeventienjarige erop om zelfmoord te plegen? Vlug lees ik het artikel.
Ze zijn niet zeker of het zelfmoord is, ze had een wonde in haar rug. Ik geloof het niet. Zij heeft geen zelfmoord gepleegd!
In haar dagboek stond meerdere keren dat zelfmoord geen oplossing was. Maar wat is er dan wel gebeurd?
Waar bemoei ik me eigenlijk mee? Ik ken dat meisje niet eens! Maar ik voel me op één of andere wijze verbonden met haar.
Die foto die bij het artikel stond. Ze doet me aan iemand denken. Maar wie? Ik kan er niet aan doen, ik moet meer weten over haar. Waar woonde ze?
Zo’n 50 km hier vandaan. Ik ga er naar toe! Maar ik heb een probleem. Een probleem van negentien jaar oud.
Weet je Wat? Ik laat gewoon een briefje achter op de keukentafel. Hij zal het toch Maar tegen deze avond ontdekken. En dan ben ik al lang weg.
Zo gezegd, Zo gedaan. ik maak ik zeven haasten mijn koffer. leg een kattebelletje op de tafel en sluit de deur achter me. oeps, dat was een luide bonk! vlug wegrijden!
ik wil mijn auto opstarten, als ik opeens een hoopje kleren met mijn broer erin naar buiten zie komen. damn, wat nu?
‘ Naar waar ga je?’ vraagt hij.
‘ euhm… euhm… ‘ shit ik kan geen geheimen bewaren voor Tom.
‘ ik wil meer weten over dat meisje van wie het dagboek is.’ flap ik eruit.
‘ en dat ging jij doen zonder iets tegen mij te zeggen.’ zegt hij verbouwereerd.
‘ ja, omdat je anders ging zeggen dat ik zot ben.’
‘dat heb ik ook al gezegd’ hu? hij ziet mijn verbaasde gezicht en vraagt:
‘ heb ik dat nog niet gezegd?’
‘nee.’
‘ wel dan zeg ik het nu. je bent zot!’
‘ maar ik kan er niet aan doen! ik moet meer weten!’
‘ alé, het is goed. maar je laat elke dag iets van je weten, verstaan!’
‘ ayay sir!’ en ik rij weg.

tegen de avond kom ik toe in de stad waar Demi woonde. het ziet er allemaal verlaten uit.
ik boek een kamer in het eerste hotel dat ik tegen kom.
op mijn kamer haal ik het verfrommelde krantenartikel uit mijn broekzak. ik had het vlug afgeprint.
ze is van het gebouw ‘ tower builing’ gesprongen. ik ga daar eens kijken.
aan de receptie vraag ik waar ik dat gebouw kan vinden. en ga er naar toe.

de wind waait mijn haar in een warboel. de koude snijd door mijn dunne jas.
djeeses, wat moet ze niet gedacht hebben toen ze hier stond. 23 verdiepingen hoog. ze had geen kans om het te overleven.
ik kijk naar mijn voeten. ze kan niet zelf hebben besloten om hier van te springen. zelf ik, die maar een stuk uit haar dagboek heb gelezen, weet dat ze dat niet zou doen. Ik, die maar drie jaar van haar te korte leven kende.
wat is dat? naast mijn schoen zie ik een rode spetter op de grond. precies een druppel bloed.
‘ hé, wat doe je daar? ‘ roept iemand die vanuit de traphal komt, naar ik.
‘ oh, sorry. ik kom alleen maar een beetje van het uitzicht genieten.’ hij zou eens moeten weten…
‘ sorry, maar sinds dat hier iemand is van gesprongen, mogen we niemand meer toelaten om nog op het dak te komen.’
‘ ah, ik wist het niet. ik ben al weg.’ ik ga terug naar beneden.
een druppel bloed. iemand die zelfmoord gaat plegen gaat toch niet net voor de val aan zelfverminking doen? zelfverminking doe je voor de pijn weg te nemen maar dat doe je niet voor je van een gebouw springt. dit is opnieuw nog maar eens een bevestiging dat ze geen zelfmoord heeft gepleegd.
ik ga terug naar het hotel.

deel 4 Dag 3.

met veel moeite open ik mijn ogen.
voor een moment ben ik gedesoriënteerd, maar dan herinner ik het me weer. ik ben in het hotel.
als ik denk aan gisteren voel ik mijn doorzettingsvermogen weer naar boven komen.
ik sta op, kleed me aan en ga ontbijten.

wat zou ik vandaag doen? naar het weeshuis! ja dat ga ik doen.
na mijn ontbijt ga ik weer naar de receptie en vraag waar ik het weeshuis kan vinden.
‘op ontdekkingstocht, jongen?’ vraagt de receptioniste na dat ze de weg heeft uitgelegd.
‘ ja, een soort van.’ antwoord ik.
‘ het weeshuis… ze zouden het moeten sluiten!’
‘waarom dan?’
‘ het is niet de eerste keer dat iemand van daar zelfmoord pleegt..’ en weg was ze. wat bedoeld ze daar nu mee? het zal wel duidelijk worden als ik er ben zeker?

een oud, op het eerste zicht leegstaand, pand staat voor mij. ‘WEEHUIS’ staat er op. de ‘S’ ligt daar in de struiken. voor de ramen staan tralies en de muren staan vol met mos. ze zullen toch wel een bel hebben?
aha! als een geschenk van God hangt daar naast de deur een splinternieuwe bel.
ik loop er naar toe, en druk er op. Een bel die het niet doet. dan maar kloppen zeker.
na een tijdje opent een , naar mijn gedacht, veel te dikke oude dame de deur.
‘ voor wat is het?’ vraagt ze arrogant.
‘ ik zou wat meer informatie willen hebben over Demi. ik hoop dat u me dat kunt vertellen?’
‘ Demi? nog nooit van gehoord.’ en ze slaat de deur in mijn gezicht.
‘vriendelijk’ staat ook niet in haar woordenboek zeker.
‘nog nooit van gehoord’ imiteer ik haar. ze heeft er toevallig drie jaar gewoond.
waar kan ik nu naar toe? naar haar school misschien.
Daar aangekomen sta ik op een lege speelplaats. Ja, wat had ik gedacht! Dat om 12.30 de speelplaats bomvol ging staan?!
Als ik terug naar de uitgang wandel, valt me een jongen op in een hoekje van de speelplaats. Zonder er verder bij na te denken verlaat ik de school.
Ik loop de straten, volop aan het denken. Wie zou er haar hebben vermoord? Want zelf is ze zeker niet van het dak gesprongen, dat staat vast! Als ik de hoek omloop, staat daar een groepje jongens van ongeveer mijn leeftijd. Ik zie ze vanuit hun ooghoeken naar mij staren.
Zonder op te kijken loop ik voorbij. Ik hoor ze fluisteren en een paar keer hoor ik mijn naam vallen. Dan beginnen ze opeens allemaal verwijten naar mijn hoofd te gooien!
Dingen als ‘homo’,’janet’...
Wat hebben zij tegen mij?! Ik heb ze toch niks misdaan! Dan hoor ik opeens
‘ op zoek naar jullie enige fan, demi?’ ik sta stil.
‘ heb jij daar soms iets mee te maken?!’ vraag, eerder roep, ik.
‘ oh, ben je op je schwüle teentjes getrapt? Ik heb met die teef niks te maken! Als het dat is dat je wil weten!’
ik loop verder.
Toch heb ik het gevoel dat ik iets heb overzien . Ik moet meer weten over die jongen die stond te staren naar mij in de school.

Terug op de school van Demi aangekomen, staat die jongen nog altijd in hetzelfde hoekje te staren naar mij. Ik ga er naar toe en vraag of hij soms iets meer weet over haar, maar hij loopt weg.
‘ hij is niet normaal, niets van aantrekken.’ Roept een meisje die het heeft gezien naar mij.
‘ ah, mag ik jou iets vragen? Kende jij soms Demi?’
‘ ja, nog één die ze niet allemaal meer op een rij had. Heel de school kende ze wel,van zien en horen vertellen. Ik ook, maar niet persoonlijk.’
‘ah, toch bedankt.’ Wat kan ik nu doen? Ik ga maar terug gaan naar het hotel, zeker? Oh, ik ben gisteren vergeten Tom te bellen! Ik zal dat het eerste van al doen.

deel 5

Waarom ben ik hier? Waarom zit ik niet thuis op Tom te letten? Was dit gepland? Moest dit gebeuren? Waarom krijg ík haar dagboek? Wie is ze?
Duizenden vragen spoken rond in mijn hoofd. Allen blijven onbeantwoord.
Ik loop door dode straten. Iedereen is gaan werken of zit op school, veel leven is er dus niet.
Als ik door een straat loop, zie ik aan mijn linkerkant een vervallen parkje.

Ik heb vandaag een parkje ontdekt. In de weinstrabe. Raar hé, dan woon je op een plaats zo lang…
Het is vervallen. Ik vind het prachtig. Er staat een grote eik in. Overal staan er namen in gekrast. Dit park heeft glorie gekend. Die boom heeft prachttijden meegemaakt. Net als ik. van wat ik vroeger was, blijft nu niets meer over. Niemand komt naar het park. Dit park heeft een verhaal. Een verhaal met een betekenis.


Demi kwam naar dit park. Ik ga eens kijken.
Dit park ziet er even dood uit als de straten waar ik net heb doorgewandeld. Geen mens te bespeuren, overal waar je maar kijken kan, ligt afval en bladeren. En in het midden, staat een boom.
Je kan er niet naast kijken.
De boom die Demi bedoelde. Op het eerste zicht is er niets speciaal aan. Maar toch heeft ze juist die uitgekozen om tegen te zitten. Drie jaar lang. Niet één dag heeft ze deze boom niet gezien.
Als je er naar kijkt, zie je dat er iets ontbreekt. Het plaatje is niet volledig.
Demi is van het altijd passende plaatje gehaald. Niemand kan ze er ooit nog opzetten. Niemand kan haar plaats vervangen. Het plaatje is gebroken. De puzzel is een stuk kwijt. En niemand heeft het ontbrekende stukje.
‘ zoek je iemand?’ vraagt een vrouw die uit het niets voor me komt staan.
‘euh … nee, niet echt. Dank u.’
‘ je kan het mij altijd vertellen hoor. ik zie dat er iets op je lever ligt. Als je het nu niet wilt zeggen. Je kan mij hier altijd vinden. Ik zit hier elke dag.’
‘ kende je soms Demi?’
‘ Demi, tuurlijk. Zij kwam hier elke dag. Maar de laatste week niet meer. als je haar zoekt, ik denk dat ze ziek is. je kan het altijd proberen in het weeshuis, niet dat ze je daar hartelijk gaan ontvangen. Maar je kan het proberen.’
‘euhm… Demi is dood.’ Zeg ik stilletjes. Alsof ik de woorden niet over mijn lippen krijg.
‘wat?!’ ik vertel heel het verhaal. Over het dagboek dat ik kreeg. Over mijn bezoeken aan de school, weeshuis en nu het parkje.
‘ nja, Demi. Het was een bijzonder meisje.’
‘ wat weet u over haar?’ vraag ik.
‘ drie jaar geleden zijn haar ouders verongelukt, zoals je al wist. Een week later kwam ze voor de eerste keer naar hier. Ze zat daar stil tegen de boom. Op de plaats dat jij nu zit. Ze zei niets, toonde geen emotie. Haar ogen waren leeg.
Ze dat ergens mee, dat zag je zo.
Elke dag zat ze in dezelfde houding tegen de boom.
Wat me wel opviel was dat ze altijd blauwe plekken had. Maar pijn toonde ze nooit.
Op een dag had ik besloten eens naar haar toe te gaan. Daar zat ik dan naast haar, niets te zeggen. Het was niet nodig ook, ik voelde zo hoe ze verdriet had.
Elke dag kwam ik naast haar zitten. Al zo’n drie maanden lang, zonder ook maar iets te zeggen.
Op een regenachtige vrijdag kwam ze weer tegen de boom zitten. Het bloed liep over haar gezicht. Weer toonde ze geen pijn.
Ik vond het wel genoeg zo en vroeg wat er was gebeurd.
Ze schudde haar hoofd. Ten teken dat het niets was. Maar het was niet ‘ niets’. Een paar wonden waren zo diep dat ze gehecht moesten worden. Ik nam haar mee naar het ziekenhuis’…

srr, dat het zo lang heeft geduurt dat ik een nieuw deeltj plaats, maar ik had problemen met word

deel 6

‘ ze verroerde geen kick. De verpleegsters hadden al even grote vraagtekens als ik.
Toen ik vroeg waar ze woonde, zodat ik haar naar huis kon brengen en eens met haar ouders kon praten, zei ze haar eerste woorden tegen mij:
‘nergens, ik heb geen thuis.’ antwoordde ze.
‘maar je moet toch ergens wonen?’ toen vloog ze opeens in mijn armen en vertelde ze alles. Zonder een traan te laten vallen.’
Het werd stil…
‘wat vertelde ze juist?’ vroeg ik voorzichtig.
‘ ze had haar ouders verloren, door haar schuld vond ze. Ze moest naar haar oma, Elisabeth Howe, maar die moest haar niet hebben.’ Zachtjes sterft haar stem weg.
‘Elisabeth Howe’ raasde er door mijn hoofd. Ik heb die naam nog gehoord. Maar waar?
Mijn gedachten maakten weer plaats voor haar stem.
‘… het weeshuis, hoe durfde ze!
Daar werd ze ook niet goed ontvangen. De andere wezen vonden een rare en negeerden haar. Ze had niemand meer. echte vriendinnen had ze nooit gehad op school. En degene die soms nog een woordje zeiden tegen haar, lieten haar vallen als een baksteen. De populairdere begonnen haar uit te schelden op de speelplaats, de leerkrachten zeiden er niets over. Zelf zij negeerden haar. En als ze na school naar het weeshuis ging, wachtten er een paar haar op om haar te slaan.
En waarvoor? Omdat ze sinds de dag dat haar ouders stierven, een paar dagen later misschien, fan was geworden van een groep waar ik nog nooit van had gehoord.
Elke dag was het hetzelfde verhaal.’
Ik bedank haar en kom nog te weten dat ze Carolien heet.

Als ik terug op weg ben naar het hotel blijft de naam van die oma door mijn hoofd spoken.
Ik herken die naam van ergens, maar van waar?
Ik ga haar opzoeken. Ik ga in een telefooncel en doorzoek het telefoonboek, opzoek naar haar adres.
Aha! Hier: ‘Howe E. Baronstrasse 9’
Zou dat ver zijn? Ik ga het eens vragen in de receptie van het hotel.
Maar onderweg ben ik een kaart van de streek tegengekomen die langs een drukke straat stond en zo ben ik het adres te weten gekomen.
Ik klop aan de deur en een oude dame opent die.
‘ ik koop niet aan de deur’ zegt ze vlug en ze probeert de deur toe te duwen, maar vlug stop ik mijn voet ertussen. Ik laat me geen twee keer in één dag aan de deur zetten, hoor!
‘ ik ben hier niet om iets te verkopen,’ zeg ik als ze me chagrijnig aankijkt, ‘ ik kom in verband met Demi.’ Ik zie haar kort draaien met haar ogen, maar ze laat me dan toch binnen.
Een donker, ouderwets interieur staart me aan. Ik krijg braakneigingen van de geur van mottenballen die er hangt.
‘ zet u’ zegt ze en wijt naar een stofferige zetel.
‘ nee, dank u,’ zeg ik vlug, ‘ ik heb niet veel tijd.’
‘voor wat kom je?’ vraagt ze.
Ik vertel over het dagboek dat ik heb gekregen en over mijn ontmoeting in het park. Dat ik ben gekomen omdat ik haar naam herkende.
‘ hoe noem jij?’
‘ Bill kaulitz’
‘ ja, geen wonder dat je al mijn naam eerder hebt gehoord. Demi was je zus.’ Het antwoord slaat recht in mijn gezicht…

deel 7

ik doe de deur achter me dicht. Verward loop ik door de straten. Mijn ouders hebben haar laten adopteren. Ze hadden de handen al vol met ik en Tom, maar ze wilden geen abortus plegen. ‘Kindermoord’ vonden ze.
De ouders van Demi hebben haar dan geadopteerd.
Daarom herkende ik haar op de foto in de krant. Ze leek op mij, op Tom, op mama en papa.
Verdomme, waar ben ik toch aan begonnen? Ik had dit nooit mogen weten!
Nu wil ik, nee nu moet ik weten wat er juist gebeurd is!
Het is al avond, ik ga terug naar het hotel, bellen naar Tom.
Morgen ga ik opnieuw naar haar school.

Dag 4
Hier sta ik dan, op de speelplaats. De jongen staat opnieuw naar me te staren. Er is niemand anders te bespeuren.
Ik ga het nog eens proberen bij hem.
Voorzichtig loop ik naar hem toe. Van op een paar meter afstand vraag ik hem of ik iets mag vragen. Zachtjes, alsof hij bang is om zijn nek te overbelasten, knikt hij en wandel ik naar hem toe.
‘ wat weet jij over Demi?’ vraag ik stilletjes.
‘ ik… euhm … ik’ stottert hij. Hij zucht eens diep en begint te vertellen.
‘ ik moest haar volgen. Elke dag.’
‘ moest? Van wie?’
‘ ik weet het niet, hij zei nooit zijn naam. Maar hij ziet er zo uit.’
Hij neemt een cursusblad en begint te schetsen.
Teruggetrokken geeft hij me het blad. Zijn schets was net levensecht. Alsof het gezicht dat er op stond me recht aankijkt en klaar staat voor van het blad te springen.
‘ waarom ik het moest doen, weet ik niet. Maar als ik het niet deed, ging hij mijn kleine zusje iets aandoen.’ Kleine zusje… kon ik haar ook maar op één of andere manier hebben beschermt. Nu is het te laat.
‘ toen ik hoorde dat Demi dood was, wist ik meteen dat hij er iets mee te maken had. Daarom heb ik het dagboek naar jou gestuurd. Jij, als haar favoriete idool. Ze was in niemand anders geïnteresseerd. Niemand anders had een betekenis voor haar. Je kwam het eerste in me op. Achteraf bleek het me een domme slag. Ik dacht dat je de moeite niet ging doen om het te lezen en weg zou hebben gegooid. Dan zou je het enige wat van haar overblijft, als een waardeloos papiertje hebben weggegooid. Ik had nooit gedacht dat je naar hier zou komen.’ De bel gaat en vlug loopt hij weg, mij verbaasd achterlatend met zijn schets en woorden dat hij er iets mee te maken heeft.
Was hij dan die persoon die haar achtervolgde? De persoon die ze vermelde in haar dagboek?
Ik ga naar de politie!

Eenmaal terug buiten:
Ze vinden het niet belangrijk genoeg!
‘ de zaak is afgehandeld’ imiteer ik de politieman. Hij stond me gewoon recht in het gezicht uit te lachen!
‘de politie u vriend’, mijn ergste vijand zul je bedoelen!
Dan ga ik zelf maar op onderzoek!
Ik wordt uit mijn gedachten gehaald door een trillend gevoel in mijn broek, ter hoogte van mijn kruis. Het produceert nu volop ‘ decode’ van paramore.
‘ tom’ verschijnt er op het scherm. Dedju, ik ben hem vergeten te bellen! Vlug neem ik op.
‘ hallo’ zeg ik stilletjes.
‘ ah, de verloren zoon leeft nog! Je moest me ook niet bellen hoor!’
‘ ik was het vergeten.’
‘ wat is zo belangrijk dat je je bloedeigen broer vergeet!?’
Ik vertel hem heel het verhaal.
‘ow, dus die Demi was onze zus.’
Ik knik, maar realiseer dan dat hij dat niet kan zien, dus zeg ik vlug ja.
‘ en weet mama het al dat jij het weet?’
‘nee, nog niet en dat zou ik voorlopig zo willen houden.’
‘ oké, ga je me vanaf nu elke dag bellen?’
‘ja, als ik het niet vergeet, anders moet jij maar bellen, hé.’
We nemen nog afscheid en leggen toe.


nog een kleine mededeling: ik ben bijna klaar met dit verhaal. het zullen 10 delen en een epiloog zijn.

deel 8

Ik ben al dertien cafés af geweest op zoek naar de persoon. Ik had geen idee waar dat ik moest beginnen zoeken. Maar toen ik mijn dorst voelde opkomen ben ik een gezellige pub binnen gestapt. Door verveling ben ik ieders gezicht af gegaan op zoek naar de persoon. Maar niemand had er ook maar een trek van mee. Dan ben ik maar naar andere cafés gaan zoeken en zit ik nu aan nummer dertien. Komt het door het ongeluksgetal dat ook daar niemand zat, of gewoon door het feit dat dit eigenlijk zinloos is? ik weet het niet. In de verte zie ik nog eentje. Als ik daar ook niemand zie die er op gelijkt, stop ik ermee!
Ik stap het lelijke gebouw binnen en de moed zakt me in de schoenen als ik overal kaartende oude mensen zie zitten. Aan elke tafel ga ik, met de foto van Demi in mijn hand, gaan vragen of ze haar kenden. Ik ben aan de bar aangekomen als ik opeens een jongen van mijn leeftijd zie zitten. Ik kijk vlug eens naar mijn blad en ja hoor, het is hem. Omdat hij niets zou merken, ga ik net zoals aan alle andere tafels gaan vragen of hij haar kende.
‘ waarom moet je dat weten?’ vraagt hij verbaast.
‘ ik studeer voor journalist en als eindwerk moest ik een artikel schrijven over een onderwerp naar keuze, ik heb voor de zelfmoord van Demi gekozen.’ Verzin ik vlug.
Gelukkig heb ik vandaag mijn haar samengebundeld onder mijn pet verscholen en mijn make-up aan de kant laten liggen of ik was zo door de mand gevallen.
‘ dat is mijn ex.’ Zegt hij. Vanbinnen beginnen mijn aderen een ongezond warme temperatuur te krijgen. Hij liegt dat hij zwart ziet! Zelf een kleuter zou het opmerken. Maar ik heb de bewijzen, er stond niets in haar dagboek over een vriendje. Ik laat niets merken. Wil hij het zo doen, dan speel ik zijn spelletje mee. ik vraag hem als hij weet waarom ze zelfmoord heeft gepleegd.
‘ pff. Ze was gek aan het worden. Ze zag overal personen die er niet waren. Ze dacht zelf dat ze achtervolgd werd.’ de jongen van op haar school…. ‘ ze kon het zo verder niet aan.’gaat hij verder.
‘ waarom heb je haar niet tegen gehouden?’
‘ ik had het uitgemaakt, ik werd gek van haar waanbeelden.’
Ik zie dat hij zicht ongemakkelijk begint te voelen.
‘ maar ik moet nu dringend naar een afspraak.’ Zegt, hoogst waarschijnlijk liegt, hij.
‘ mag ik je naam weten. Ik moet mijn bronnen vermelden.’
‘Ruben Peeters.’ En weg was hij.
‘ Ruben Peeters, die naam ga ik onthouden!’

Terug op mijn hotelkamer aangekomen zie ik een briefje onder de deur zitten:
Bemoei je niet met de dood van Demi of je kan er naast gaan liggen.’ Staar er slordig op geschreven.
Zou hij me achtervolgd hebben?
Wat moet ik nu doen? En zonder dat ik het wist, leiden m’n voeten me alweer richting park.
Eenmaal buiten voel ik me niet op mijn gemak en kijk voortdurend om me geen of niemand me achtervolgd. Maar niemand besteed aandacht aan mij en loopt gehaast door.
Ik zit tegen de boom mijn verhaal te doen tegen Carolien.
‘ Dus jij denkt dat die Ruben het heeft gedaan?’
‘ik ben er zeker van!’
‘ dan moet je dat verder uitzoeken, want zonder bewijzen gaat niemand je geloven. En zeker de politie hier niet, ze zijn nogal… tjah… naïef.’
‘ ja dat heb ik gemerkt. Maar hoe ga ik bewijzen vinden?’
‘Nja, dat weet ik ook niet. Maar ik zal je steunen. Hier mijn gsm nummer.’ Zegt ze terwijl ze mee papiertje met cijfers erop geeft.
Ik geef ook mijn nummer en bedank haar.
‘ dat is graag gedaan.’

Als ik weer door de straten wandel, ben ik volop aan het denken.
Hoe kan ik bewijzen vinden?
Maar hoe meer ik denk, hoe meer de moed me voor de tweede keer vandaag in de schoenen zakt. Ik heb echt geen idee.
Ik kom aan een kruispunt en wacht tot het licht groen wilt worden. Een paar meter achter mij stopt ook iemand. Niet verwonderlijk aan een rood licht, maar toch stelt die gedachte me niet gerust. Ik probeer te zien wie het is, maar zijn sjaal bedekt zijn gezicht. Een sjaal? Zo koud is het vandaag toch niet.
Misschien is hij verkouden, maar ook die gedachte kan me niet sussen.
Het wordt groen en ik steek de straat over. De persoon loopt in een rechte lijn, waar ik net heb gewandeld, over het zebrapad. Ik begin mijn pas te verrappen.
De persoon komt steeds dichterbij. Hij haalt me in, en voor een moment denk ik dat ik er vanaf ben, tot hij plots zijn vuist op steekt. Een helse pijn schiet door mijn neus en er loop een rood straaltje bloed op mijn hand die ik er beschermend heb voor geplaatst. Een nieuwe pijnscheut raast door mijn maag. Ik grijp naar zijn gezicht en de sjaal dwarrelt voor mijn voeten op de grond. vlug loopt de persoon weg, met lang wapperend haar. Het kleur kan ik door de pijn niet benoemen of onderscheiden van de zoveel andere kleuren om me heen. Een walm van parfum blijft achter.
Het was een vrouw…

deel 9

Haastig loop ik naar het hotel.
Vragende blikken negerend.
Het klopt niet! Mijn redeneringen kloppen niet! Het was een vrouw!
Shit, wat nu?
Ik weet niet meer wat te doen. Mijn hoofd is één grote warboel. Heel mijn schema van: ‘wie, wat, waar, wanneer en waarom’ klopt niet meer.
Met zeven haasten loop ik mijn kamer in.
De zon heeft intussen al plaats gemaakt voor een donker blauwe hemel.
Ik ga Tom bellen.
‘yo, brother!’
‘Tom, het klopt niet!’
‘owow, wat klopt er niet?’
‘alles! Daarnet werd ik achtervolgd en in mijn gezicht en maag geslagen. En ik trek de sjaal van zijn gezicht en het blijkt een vrouw te zijn!’ zeg ik in paniek.
Nu ik het zo eens op een rijtje zet, heb ik eigenlijk wel redenen om te panikeren.
‘ben je genaaid door een meisje?’
‘daar gaat het niet om!!’ roep ik nu.
‘ja, sorry.’
We praten nog een tijdje, maar veel kan hij mij niet helpen.
Tjah, wat had ik anders wel verwacht?
Na een tiental minuten leggen we toe en ga ik naar bed.

Verschrikt open ik mijn ogen.
De rode lampjes van de wekker geven drie uur aan.
Daar gaat de oorzaak van mijn plotse wakker worden weer.
Het blijkt de ringtone van mijn gsm te zijn. Om drie uur ’s nachts?
‘onbekend nummer’ verschijnt op het schermpje.
Met een slecht voorgevoel neem ik op.
‘hallo?’ fluister ik. maar krijg geen antwoord.
‘met wie spreek ik?’ vraag ik bang.
Maar weer krijg ik geen reactie van de persoon aan de andere kant van de lijn.
Als ik wil neerleggen, komt er opeens uit het niets een stem uit mijn mobieltje.
‘ je weet wel wie ik ben.’ Ik kan de stem niet identificeren. Zelf het onderscheid tussen man en vrouw is onmogelijk.
‘waarom bel je?’ vraag ik nu al met een vastere stem.
‘omdat je je niet houdt aan de regel die ik je heb voorgelegd. Deze middag is pas een voorsmaakje van hetgeen ik kan. De volgende keer zul je het niet meer kunnen doorvertellen.’ En de persoon legt neer.


reacties bitte (:

deel 10

Shit, wat moet ik nu doen? Ik kan moeilijk nu naar Tom bellen? Het is drie uur.
Haastig sluit ik alle ramen en deuren. Ik zet me op het bed en staar voor me uit. Slapen ga ik nu toch niet meer kunnen.

Hoelang heb ik hier zo gezeten? Ik weet het niet. Dunne lentezonnestraaltjes verlichten de kamer, door binnen te sluipen via de zijkanten van het gordijn.
De rode lichtjes van mijn wekker geven 8 uur aan. Ik ben er nu nog steeds niet uit wat ik ga doen. Als ik naar Tom bel, klinkt het net of ik dit niet kan oplossen. Naar de politie gaan? Voor wat? Zodat ze me opnieuw kunnen uitlachen?! Nee, ik moet dit zelf doen. Maar hoe?
Ik ga raad vragen aan Caroline.
Ik doe ik zeven haasten mijn kleren aan en verlaat mijn hotelkamer.

Onrustig loop ik door de stad, op weg naar het park. Iedereen lijkt zo verdacht. De fietser die naar me kijkt, de postbode die langzamer als gewoonlijk zijn ronde doet. Iedereen kan het gedaan hebben.
Ik loop door de roestte poort van het vervallen parkje. Maar niemand is er te zien. De enige persoon die er loopt is de parkwachter. Raar dat ze die nog hebben. Ik stap er naar toe en vraag of hij weet waar Caroline is.
‘ Nee, ze is er niet. Ik zal je anders haar adres geven. Dan kan je daar eens gaan kijken.’ Hij haalt een oude rekening uit zijn broekzak en schrijft er iets op. Hij heeft me het papiertje. Ik bedank hem, en ga naar het adres van op het blaadje.
Nu ik hier toch al zo’n goede week ben, ken in de weg al een beetje.
Hier is het. Ik bel aan, maar na 5 minuten is er nog niemand. Ik kijk eens door de ruit om te kijken of er niemand is.
ik schrik me een hoedje! Overal waar je maar kan kijken hangen foto’s van Demi. Hoe kan dat? Waarom hangen die daar?
Ik schrik uit mijn gedachten door en tikje op mijn schouder. Ik draai me om en kijk recht in de ogen van Caroline.
‘sorry, ik was even naar de winkel. Kwam je voor mij? Anders mag je gerust even binnenkomen!’ nog steeds verschrikt door haar plotse verschijning, knik ik kort.
We gaan naar binnen en de deur valt achter me toe.
Caroline draait haar om en haalt een pistool boven. Ik verstijf van angst. Dit klopt niet!
‘ik had je gezegd dat je je niet moest bemoeien!’ zegt ze en haalt de trekker over…

epiloog

nog steeds in schok staar ik voor me uit. De vragen van de politieagent vliegen aan me voorbij. Ik ben er nog! Het blijft me elke seconde nog verbazen.

‘ik had je gezegd dat je je niet moest bemoeien!’ zegt ze en haalt de trekker over…
‘halt’ roept een stem achter me.
‘leg dat wapen neer! Het heeft geen zin meer, Caroline! Ik heb de politie al gebeld, ze kunnen elk moment aankomen!’ duidelijk even hard geschrokken als ik, legt Caroline haar wapen neer op de grond. op dat moment komen een tiental agenten de woning binnengelopen.

Het was de parkwachter die mijn leven heeft gered. Toen ik juist was vertrokken naar Caroline haar huis, herinnerde hij zich dat ze had gezegd dat ze naar de winkel was. Hij had me achtervolgd en zag me naar binnengluren. Hij wou me juist roepen, toen hij Caroline zag aankomen. Hij wou weer weggaan, toen hij ons zag naar binnengaan. Maar hij werd nieuwsgierig, waarom ik altijd naar Caroline ging, hij gluurde, net zoals ik eerder had gedaan, door de ruit mee. Toen zag hij Caroline haar pistool boven halen. Hij haalde vlug de reserve sleutel, die hij eens had gekregen, boven en liep naar binnen.
Zonder hem was ik er niet meer geweest.
Caroline heeft juist bekend dat zij Demi heeft vermoord, en daarmee is mijn vraag ‘waarom’ ook opgelost.
Caroline is de moeder van Ruben, de jongen die ik heb gevonden in het café. De jongen van op de school moest van Ruben Demi achtervolgen om haar schrik aan te jagen. Caroline heeft Demi vermoord omdat Ruben vond dat ze de buurt verpeste.
Toen ik Ruben had gevonden, heb ik naar haar geweest en haar mijn gsm nummer gegeven. Daardoor kon ze me ’s nachts bellen. Ze wist ook waar ik logeerde. Toen ik haar had verteld dat ik Ruben verdacht voor de moord van Demi, heeft ze me achtervolgd toen ik terugkeerde naar het hotel. Alle puzzelstukjes vallen op de juiste plek. Alles klopt.
En toch had ik een goed gevoel bij haar. Ze voelde vertrouwt. Ze heeft mijn gegevens al die tijd misbruikt. Mij misbruikt.
‘ zo dit is je verklaring. Als u zo vriendelijk wilt zijn om hier te tekenen.’ Onderbreekt de politieagent mijn gedachten.
Ik loop uit het kleine kamertje, naar Tom en mama. Dit was het dan. Het einde van mijn kleine avontuurtje.
‘ kom Bill, we gaan naar huis.’ Zegt mijn ma.
‘wacht, ik wil eerst nog iets doen.’ Mijn ma en broer vragend achterlatend, verlaat ik het politiegebouw.

De witte rozen sieren de grijze plaat. Met sierlijke letters staat erop:
‘Demi Borry
° 21/12/1992 - + 1/12/2008’
Op het kleine foutje na, is het prachtig.
Ze is eenzaam en in alle stilte begraven, maar ergens blijft ze diep in mij. Ook al heb ik ze nooit gekend.
Ze blijft mijn kleine zusje…

einde!

ja lezertjes, dit was het einde van 'numb'.
hopelijk hebben jullie het graag gelezen :'p

momenteel ben ik begonnen met een nieuw verhaal , de link staat hier onderaan.
groetjs!

ACHTUNG!

hoi

ik heb sinds kort een profiel op de site fanfic.nl,
dat is een site waar je al je verhalen kunt droppen.
daar kan je dus ook al mijn andere fanfic vinden
je moet wel lid zijn van de site om reacties te kunnen geven.
de link van mijn profiel vind je hier onderaan.

x

Poll

wat vond je er van?

Bekijk de resultaten

Door Astrid i.s.m thstorie4.startspot.nl
Hosting en scripting door: MPlay.nl
Er staan 7 links op deze pagina.
Opmerkingen of suggesties?